Waarom ik graag zwaai

Ik sta achter het raam. Zoon zwaait nog een keer en trekt de schuurdeur dicht.

Wanneer mijn kinderen de deur uit gaat, laat ik alles uit mijn handen vallen. Er moet gezwaaid worden.

Mijn oma zwaaide mij en mijn zus uit vanachter het raam als we naar school gingen. Elke dag. Tot we helemaal aan het eind van de straat waren. Dan zwaaiden we nog één keer terug.

Alsof je maar nooit kon weten of het de laatste keer was

Omaatje gaf me het gevoel dat ik nooit alleen was. Zelfs als ik al de hoek om was, stond zij in mijn hart nog naar me te zwaaien.

Zelf zwaai ook tot in het onzichtbare als mijn kinderen, ouders of vrienden vertrekken. Het doet altijd een beetje pijn om de deur al eerder dicht te doen. Maar de vertrekkende partij heeft niet altijd zin om steeds terug te zwaaien. Die had niet zo’n oma.

Oma had haar eigenaardigheden.

Oma knipte de broodkorstjes met een schaar van haar boterhammen

Als we die korstjes op de houten putdeksel in de voortuin hadden gelegd, stond zij voor het raam te kijken. Het was haar missie om te zorgen dat de mussen en andere kleine vogeltjes het brood kregen. Kraaien, eksters en meeuwen joeg ze weg door geestdriftig met de vitrages te zwiepen en sjjj sjjjjj te roepen. Oma, beschermheilige der kleine gevederden.

Mijn opa & oma woonden bij ons thuis. Een genoegen voor mijn zus en mij. We aten elke avond met z’n zessen. Dronken ‘s morgens koppie tubruk met elkaar. En in het weekend, als onze ouders nog laten te slapen, trotseerden we de koude tegels in de bijkeuken naar hun kamer, waar oma soms al bezig was het avondeten voor te bereiden.

Opa was een stuk kalmer.

Ik zie hem nog zo staan, in zijn geruite pyjama voor het raam met de handen op de rug. Datzelfde raam, ja.

Van tijd tot tijd maakt hij een tjsilpend geluidje, een (Indonesische?) gewoonte die ik heb overgenomen om restjes eten of anders alleen wat lucht tussen je tanden weg te zuigen.

Er ontsnapt hem een boertje of scheetje. En als hij klaar is met naar buiten staren, zegt hij: “Tsja. Zo is het.” Als ik wat ouder was geweest zou ik hem gevraagd hebben waar hij aan dacht als hij zo naar buiten keek.

Ik denk dat hij eigenlijk naar binnen keek

Ik keek zo lang mogelijk naar hem. Voor het allerlaatst door het kiertje van de deur van de ziekenhuiskamer. Opa stierf toen ik 13 was.

Net zoveel jaren hadden we omaatje nog bij ons.

Toen mijn ouders naar Zweden gingen, verhuisde oma naar Patria, een tehuis voor Indonesische mensen. Daar zwaaide ze mij uit vanaf 5 hoog. Toen zij stierf en haar kist naar de zwarte wagen werd gedragen, zwaaide ik haar uit. In mijn hart zwaai ik nog steeds.

Mijn ouders wonen gelukkig alweer heel lang in Nederland. Ik zoek ze op, gewoon even langs voor een bakkie. Of een happie. En als ik weer naar huis ga, staan ze samen bij de voordeur. We zwaaien naar elkaar totdat ik de hoek om rij.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *