Alles begint met knoflook en bosuitjes

,

“Oh, maar dat is gemakkelijk.”

Ik zag de spetters hete olie op haar armen terechtkomen, terwijl ze de loempia’s stuk voor stuk frituurde in de wadjan. Ze leek er geen last van de hebben. 

Als je oma vroeg hoe je iets moest klaarmaken, was dat steevast haar antwoord. De vulling voor de loempia’s. Nasi of bami goreng,  babi ketjap, ayam kerrie. Allemaal even gemakkelijk.

En dan volgde er een lange instructie die mij destijds helemaal niet makkelijk in de oren klonk, maar die ik nu echo als mijn kinderen vragen hoe je iets klaarmaakt. En het begint vrijwel altijd – die krijg je van mij cadeau – met knoflook en (bos)ui of sjalotjes. Oma’s schriften vol opgekrabbelde recepten hebben we nog. Jammer genoeg deed ze dat met potlood en in haar ratjetoe-taal van Nederlands en Javaans. Met aanvullingen in de kantlijn. Ik kan er geen wijs uit.

Mijn zus en ik kwamen in het weekend om 7 uur beneden en dan gingen we altijd eerst naar opa & oma.

Ook in die vroege uurtjes in het weekend vond je daar het vooruitzicht van lekker eten.

Dan staken we ons hoofd om het hoekje van de deur en dan zag je hen zitten bij hun houten salontafeltje, op de twee sierlijke houten poten met onderaan in het midden een opening waar je voet precies in pastte.

Op een van die ochtenden waren opa & oma al vanaf 6 uur bezig met bapaodeeg kneden. Het was alsof oma die nacht had besloten dat ze bapao voor ons ging maken. Dat is een van de heerlijkste dingen aan kind zijn, dat je geen benul hebt van alle voorbereiding die er aan zoiets vooraf gaat.

Bapao was een van de weinige dingen die oma bewerkelijk vond. Het stugge deeg moest heel lang gekneed worden.

Mijn moeder vertelde dat oma er nooit tevreden over was, dat ze het deeg nooit luchtig genoeg kreeg. Maar ik herinner me alleen heerlijke, rijkelijk gevulde broodjes, die van oma waren de enige die ik ooit echt lekker heb gevonden. Dat ambachtelijke kneden deden opa en oma om de beurt. Dan had opa de rode beslagkom een tijdje op schoot. Dan weer stond de kom op de grond tussen oma’s voeten en ging zij er op los.

Schort om, mouwen opgestroopt. Ze was tenger en klein, maar kneden kon ze.

Dat merkte je pas goed wanneer je van haar pitjit kreeg als je pijn in je nek of hoofdpijn had.

Aan het salontafeltje werd ook taugé geplukt, de bruine staartjes eraf knappen. Niet een onsje, maar een hele berg lag dan op een uitgespreide krant. Mijn zus en ik werden als hulptroepen ingeschakeld. Knap knap, dan hield je een fris taugeetje over.

Lekker bij de gado2 (dat is gado gado voor luie schrijvers en mijn oma).

Ook als er niet geduldig werd gewerkt aan het eten vond je ons vaak bij opa en oma. Hadden we ons verkleed als Balinese danseressen, dan zette opa ons op de foto. Stond oma voor haar kaptafel of stond opa zich te scheren dan keken we gefascineerd. Had mijn zus dansles gehad dan zette opa een tape op en oefende hij met haar de foxtrot. Ik keek daar graag naar in de wetenschap dat ik over een paar jaar ook met opa zou dansen. Maar toen ik zover was, was opa er niet meer.

Soms zat in in oma’s stoel, mijn voet in die opening in de tafelpoot. Dat paste zo mooi, die vorm. Je kon je voet een piepklein beetje voor- en achteruit schuiven. Op een dag kreeg ik mijn voet er wel in, maar niet meer uit.

Nadat opa mijn voet had bevrijd, kreeg ik een Wybertje. Met zijn duim schoof hij het blauwe doosje open en schudde er eentje uit.

“Neem maar, dat helpt.” En verdraaid.

Die kleine dropruitjes zitten gelukkig nog altijd in zo’n blauw schuifdoosje. Ik koop ze af en toe. Ik schuif het doosje open en schud er zo’n dropruitje uit. Dat heeft iets magisch.